Het klinkt stoer en principieel: GroenLinks/PvdA die tijdens het congres van oktober 2023 een motie aannemen om het koningshuis af te schaffen en Nederland weer tot republiek uit te roepen. Met 54 procent was er net genoeg draagvlak om het idee in het verkiezingsprogramma te krijgen. Maar achter dat symbolische gebaar schuilt vooral politieke schijnvertoning. De motie is minder een realistisch plan dan een moreel statement, bedoeld om een gevoel van onvrede te kanaliseren dat al jaren in de samenleving sluimert.
Die onvrede is begrijpelijk. Het koningshuis heeft zichzelf de afgelopen decennia niet bepaald onmisbaar gemaakt. Willem-Alexander en Máxima leven in een wereld die steeds verder af komt te staan van die van de gemiddelde Nederlander. Jaarlijks ontvangt de koninklijke familie tientallen miljoenen euro’s aan staatssteun, terwijl het eigen vermogen inmiddels ruim boven het miljard ligt. Belastingen betalen ze niet, omdat in de jaren zeventig wettelijk is vastgelegd dat de Oranjes zijn vrijgesteld. Hun paleizen zijn eigendom van de staat, hun beveiliging, vervoer en personeel eveneens. Het is een systeem waarin publieke middelen structureel worden ingezet voor het comfort van een kleine erfelijke elite.
Daar komt bij dat de familiegeschiedenis allesbehalve een visitekaartje is. Prins Bernhard, opa van de koning, bleek niet alleen corrupt in de Lockheed-affaire, maar had ook openlijke nazi-sympathieën en verwekte meerdere buitenechtelijke kinderen. Zijn zoon, Bernhard junior, is uitgegroeid tot een vastgoedmagnaat met honderden panden in Amsterdam, een stad waar woningnood inmiddels structureel is. Dat vermogen is opgebouwd binnen een constructie die direct voortvloeit uit de fiscale uitzonderingspositie van de koninklijke familie. Dat iemand met zulke privileges nul belasting betaalt terwijl starters geen huis kunnen vinden, is moreel nauwelijks te verdedigen.
Het monarchistische argument dat de koning “deuren opent” in het buitenland klinkt intussen steeds holler. Alsof handelsverdragen afhangen van een handdruk van Willem-Alexander. Grote economieën als Duitsland, Frankrijk, de Verenigde Staten en China functioneren prima zonder koning. Diplomatie draait om economische belangen, niet om erfelijke symboliek. Het idee dat buitenlandse leiders onder de indruk zouden zijn van het Nederlandse koningspaar is eerder nostalgie dan realiteit. Het beruchte biertje met Poetin in Sotsji liet eerder zien hoe wereldvreemd dat koninklijke netwerk soms is.
Toch is de republikeinse droom van GroenLinks/PvdA voorlopig vooral theater. Het afschaffen van de monarchie vereist een grondwetswijziging met tweederdemeerderheden in beide Kamers, en die zijn er bij lange na niet. Zelfs met groeiende kritiek blijft een aanzienlijk deel van de bevolking emotioneel gehecht aan het koningshuis. Het is folklore, traditie, nationale identiteit. Niet rationeel, maar politiek wel degelijk relevant.
Daar zit de kern van het probleem. Het koningshuis is in Nederland geen functionele institutie, maar een cultureel symbool dat met publieke middelen in stand wordt gehouden. De discussie gaat daarom niet echt over staatsrecht, maar over ongelijkheid. Over een familie die boven de wet staat in een samenleving die juist steeds harder vraagt om transparantie, rechtvaardigheid en solidariteit. De motie van GroenLinks/PvdA raakt dus wel degelijk een gevoelige snaar, maar biedt geen realistisch pad naar verandering.
De monarchie zal voorlopig blijven bestaan, niet omdat zij zo overtuigend presteert, maar omdat het politieke systeem haar beschermt. Het echte debat zou niet moeten gaan over republiek of kroon, maar over privileges. Over belastingvrijstellingen, vastgoedconstructies en publieke financiering. Zolang de Oranjes zich gedragen als miljardairs met een staatsgarantie, blijft elke lofzang op hun “verbindende rol” vooral een duur sprookje. En sprookjes zijn prima voor kinderen, maar twijfelachtig als fundament van een moderne democratie.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten