De Algemene Politieke Beschouwingen van de afgelopen week hebben vooral laten zien waar het gevaar voor kabinet-Jetten vandaan komt. Het grootste gevaar voor kabinet-Jetten komt niet van de oppositie. Het komt uit eigen gelederen. Het minderheidskabinet van D66, VVD en CDA heeft 66 zetels en kan dus geen begroting door de Kamer loodsen zonder steun van partijen die niet in het kabinet zitten. Dat is op zichzelf al lastig. Maar tijdens de APB werd vooral duidelijk dat de coalitie zelf nog altijd geen antwoord heeft op de vraag waar die steun vandaan moet komen.
Het wrange aan de huidige politieke situatie is dat de
discussie over de stabiliteit van het kabinet-Jetten zich grotendeels afspeelt
alsof het om een Haags machtsspel gaat. Alsof de vraag of D66 en CDA met PRO
praten of de VVD met JA21 en BBB vooral een kwestie is van politieke strategie
en de angst van de VVD om kiezers kwijt te raken aan partijen rechts van haar.
Partijen die elkaar ondertussen liever beconcurreren dan gezamenlijk naar het
landsbelang kijken. Nederland bevindt zich ondertussen in een wereld waarin
oorlog en geopolitieke spanningen steeds directer onze eigen samenleving raken.
Juist dan is het opmerkelijk dat de politieke energie zo sterk wordt opgeslokt
door de vraag welke partij op welke flank terrein wint.
De oorlog in Oekraïne woedt voort aan de rand van Europa. De
oorlog rond Iran heeft gevolgen voor de veiligheid en de internationale
energiemarkten. Voor Nederland, een open economie die sterk afhankelijk is van
internationale handel, energie en transport, zijn dat geen ontwikkelingen die
zich ergens ver weg afspelen. Ze kunnen uiteindelijk terechtkomen bij
bedrijven, consumenten en de overheid. Minister van Defensie Dilan Yeşilgöz
wijst zelf op de directe gevolgen van internationale conflicten voor de
Nederlandse veiligheid. Nederland heeft bovendien opnieuw miljarden uitgetrokken
voor militaire steun aan Oekraïne, terwijl de marine rekening houdt met een
mogelijke internationale inzet rond de Straat van Hormuz.
Juist daarom is het opmerkelijk dat dezelfde Yeşilgöz als
VVD-leider heeft gekozen voor een politieke constructie die allesbehalve ruim
in haar parlementaire jas zit. Een minderheidskabinet met 66 zetels kan
functioneren. Maar het vraagt wel voortdurend onderhandelen, compromissen
sluiten en nieuwe meerderheden. In een periode waarin Nederland snel moet
kunnen reageren op internationale crises, defensie moet versterken en
economische schokken moet opvangen, is het op zijn minst een terechte vraag of
je jezelf die extra politieke kwetsbaarheid moet aandoen.
Een kabinet dat afhankelijk is van wisselende meerderheden
moet juist op momenten van crisis kunnen rekenen op voldoende politieke
eensgezindheid. En precies die eensgezindheid staat nu onder druk. D66 en CDA
kijken voor parlementaire steun nadrukkelijk naar PRO, terwijl de VVD de
rechterflank met JA21 en BBB niet wil verliezen. Premier Jetten probeert
ondertussen iedereen aan boord te houden. Tijdens de APB weigerde hij dan ook
expliciet te kiezen voor een vaste linkse of rechtse route.
Dat is politiek begrijpelijk. Maar geopolitiek wordt het een
stuk minder comfortabel. In tijden van internationale crises wil je als land
niet eerst moeten uitzoeken welke parlementaire meerderheid daarvoor
beschikbaar is. Je wilt een kabinet dat weet wat het wil, een coalitie die
daarachter staat en een parlement dat begrijpt dat nationale veiligheid niet
iedere keer onderdeel kan worden van een binnenlands machtsspel.
Daar zit de fundamentele paradox van Yeşilgöz. Als minister
van Defensie waarschuwt ze voor een wereld waarin regionale conflicten allang
niet meer regionaal zijn. Ze wijst op de gevolgen voor onze veiligheid en
Nederland neemt onder haar verantwoordelijkheid concrete maatregelen, van extra
steun aan Oekraïne tot voorbereidingen voor een mogelijke inzet rond de Straat
van Hormuz. Tegelijkertijd heeft zij als VVD-leider meegewerkt aan een kabinet
waarin de coalitie zelf verdeeld is over de vraag bij wie zij haar politieke
steun moet zoeken.
Misschien is dat uiteindelijk wel het vreemdste aan deze
politieke constructie. Nederland wordt geconfronteerd met een wereld die vraagt
om méér slagvaardigheid, terwijl Den Haag zichzelf opzadelt met een kabinet dat
voor vrijwel iedere grote beslissing opnieuw op zoek moet naar een meerderheid.
Dat is geen reden om ieder minderheidskabinet bij voorbaat
af te schrijven. Maar het is wel een reden om de vraag hardop te stellen: was
dit werkelijk het moment om Nederland politiek ingewikkelder te maken?
Ondertussen tikt de klok. Op 17 maart 2027 zijn de
Provinciale Statenverkiezingen. Daarna kiezen de Provinciale Staten samen met
de kiescolleges de Eerste Kamer. Voor een kabinet dat nu al afhankelijk is van
steun buiten de coalitie, is dat geen onbelangrijke datum.
De eerste landelijke peilingen geven PRO ondertussen reden
tot tevredenheid, terwijl de drie coalitiepartijen hun eigen electorale positie
zullen moeten bewaken. Maar daarmee wordt het probleem voor het kabinet-Jetten
eerder groter dan kleiner. Hoe dichter de verkiezingen naderen, hoe sterker de
druk op VVD, D66 en CDA om zich tegenover hun eigen achterban te profileren. En
hoe groter die druk wordt, hoe moeilijker het kan worden om elkaar politiek de
ruimte te geven.
De APB hebben dus kabinet ten val gebracht. Maar ze
hebben wel pijnlijk blootgelegd waar de echte kwetsbaarheid zit. Niet bij de oppositie,
maar in de coalitie zelf. Een kabinet dat in een steeds onveiliger wereld juist
slagvaardigheid zou moeten uitstralen, is voorlopig vooral bezig uit te zoeken
wie bereid is het overeind te houden. Dat is een ongemakkelijke conclusie na
twee dagen Algemene Politieke Beschouwingen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten