Pagina's

zondag 8 januari 2023

Waarom deze Provinciale Statenverkiezingen een succes voor links gaan worden

In de laatste week van 2022 gaf woningminister Hugo de Jonge een reeks interviews waarin hij stelde dat het woningtekort in Nederland vooral wordt veroorzaakt door migratie. Minder migranten, zo suggereerde hij, betekent meer huizen voor “ons”. Het is een framing die inmiddels vertrouwd klinkt, maar die vooral opvalt door wat erin ontbreekt. Geen woord over het structureel mislukte woonbeleid van opeenvolgende kabinetten, waarin sociale huur massaal werd gesloopt, nieuwbouw werd overgelaten aan de markt en complete woonwijken in handen kwamen van beleggers, pensioenfondsen en buitenlandse investeerders. Het woningtekort is niet ontstaan door migratie, maar door politieke keuzes. En precies die keuzes wil De Jonge nu verhullen.

De timing is alleszeggend. De Provinciale Statenverkiezingen komen eraan en het CDA staat op instorten. Ooit was het de vanzelfsprekende bestuurspartij van Nederland, met diepe wortels in elke provincie, elke gemeente en elke bestuurslaag. Vandaag de dag wordt het CDA rechts ingehaald door PVV, FvD, BBB en zelfs JA21. In de peilingen bungelt de partij al maanden onderaan en in grote delen van het land dreigt electorale verdamping. Het CDA spartelt inderdaad als een vis op het droge, en in paniek grijpt het naar het oudste recept uit het populistische kookboek: wijs een zondebok aan.

Migratie is daarbij ideaal. Het is abstract, emotioneel geladen en moeilijk te weerleggen in soundbites. Dat De Jonge hiermee openlijk een groep mensen verantwoordelijk maakt voor een probleem dat zijn eigen partij mede heeft veroorzaakt, is niet alleen politiek cynisch, maar ook moreel leeg. Het woningtekort is geen natuurverschijnsel. Het is het gevolg van dertig jaar beleid waarin volkshuisvesting werd omgebogen tot vastgoedmarkt, huren explodeerden, corporaties werden uitgeknepen en de overheid zichzelf systematisch buitenspel zette.

Het wrange is dat deze rechtse vlucht naar voren het CDA waarschijnlijk niet gaat redden. De extreemrechtse vijver is inmiddels zo vol dat nog een xenofobe uitspraak nauwelijks extra stemmen oplevert. Wie op migranten wil schelden, heeft tegenwoordig keuze genoeg: van Wilders tot Baudet, van Van Haga tot Caroline van der Plas. Het CDA is daarin geen origineel alternatief, maar slechts een late imitator. En zoals altijd winnen imitators zelden van het origineel.

Intussen dreigt op rechts een politieke chaos. Niet alleen omdat er zoveel partijen zijn, maar omdat ze elkaar onderling nauwelijks verdragen. FvD is politiek radioactief, de PVV wil niet regeren, BBB is een lobbyclub met interne spanningen en JA21 zoekt wanhopig naar bestaansrecht. Nieuwe partijen worden geboren uit onvrede, maar sterven vaak aan ego’s, ruzies en machtsstrijd. Zie PVV. Zie FvD. Zie 50Plus. Het patroon is inmiddels voorspelbaar.

Tegenover dat gefragmenteerde rechts staat voor het eerst in jaren een relatief helder links blok. PvdA en GroenLinks hebben besloten samen op te trekken richting de Eerste Kamer. Geen ideologisch fusiefeest, maar een strategisch besef: verdeeldheid is electorale zelfmoord. In eerdere verkiezingen bleek al dat media-aandacht voor extreemrechts niet automatisch leidt tot rechtse winst. Integendeel. Zowel bij de Europese verkiezingen als bij de gemeenteraadsverkiezingen ging de spotlight naar Baudet en consorten, maar eindigde de winst bij PvdA en GroenLinks.

De paradox is dat hoe harder rechts schreeuwt, hoe zichtbaarder de leegte wordt. Racistische frames, angstcampagnes en zondebokkenpolitiek lossen geen enkel structureel probleem op. Niet de woningnood, niet de zorg, niet het onderwijs, niet de energiecrisis. Ze maskeren alleen het falen van beleid.

De uitspraak van De Jonge is daarom geen incident, maar een symptoom. Van een partij in verval, van een politiek blok zonder antwoorden en van een bestuurscultuur die liever naar beneden trapt dan naar zichzelf kijkt. Als deze verkiezingen ergens over gaan, dan is het niet over migratie, maar over verantwoordelijkheid. En precies daar ligt de zwakke plek van rechts. Want wie jarenlang beleid voert en vervolgens de gevolgen bij anderen neerlegt, verliest uiteindelijk niet alleen geloofwaardigheid, maar ook macht.



dinsdag 3 januari 2023

Waarom we ons zorgen moeten maken over extreemrechts

In de nacht van oudjaar 2022 op nieuwjaar 2023 verschenen op de Erasmusbrug in Rotterdam projecties met teksten als “Vrolijk blank 2023”, “White lives matter”, “Zwarte Piet deed niets verkeerd” en – het meest expliciet – “We must secure the existence of our people and a future for white children”. Die laatste zin is letterlijk de zogenoemde 14 words, een kernleus uit het internationale neonazistische gedachtegoed. Dit is geen vage hondenfluit, geen ironie, geen misverstand: dit is openlijk neonazisme, geprojecteerd op een van de meest zichtbare plekken van Nederland.

Wat volgde was even voorspelbaar als onthutsend. RTL Nieuws kwam direct met een artikel waarin een ‘expert’ zich afvroeg of deze leuzen wel echt racistisch waren. Alsof de betekenis van een wereldberoemde nazislogan ineens onderwerp is van interpretatie. Alsof “white lives matter” niet overduidelijk een racistische tegenhanger is van een antiracistische beweging. Alsof “Vrolijk blank 2023” iets anders is dan een expliciete etnische afbakening van wie er blijkbaar wel en niet bij hoort.

Daar zit precies het probleem. In Nederland is racisme niet langer iets wat wordt bestreden, maar iets wat wordt “geduid”, “gen nuanceerd” en “in context geplaatst”. Het wordt behandeld als een mening, niet als een ideologie. Als een debatpunt, niet als een bedreiging. Nog voordat politie, OM of politiek een helder standpunt innemen, staan de praattafels al vol met deskundigen die uitleggen dat het “complex” ligt, dat “je ook moet luisteren” en dat “niet alles meteen extreemrechts is”.

Zelfs het Openbaar Ministerie had een volle dag nodig om te bepalen of deze leuzen juridisch racistisch waren. Een dag. Voor teksten die letterlijk uit het neonazistische handboek komen. En ondertussen bleef het politiek oorverdovend stil. Geen stevige veroordeling, geen duidelijke rode lijn, geen gevoel van urgentie.

Dat is geen toeval. Racisme, neonazisme en fascisme krijgen in Nederland structureel ruimte, omdat niemand echt bereid is ze frontaal te bestrijden. Integendeel: ze krijgen een podium. In talkshows, in kranten, op sociale media én bij de publieke omroep. Ongehoord Nederland, volledig gefinancierd met belastinggeld, zendt dagelijks complottheorieën, racistische frames en openlijk autoritaire ideeën uit. De sancties die ze krijgen zijn symbolisch en worden lachend betaald. Het intrekken van de uitzendvergunning is politiek onbespreekbaar geworden, want dat zou “censuur” zijn.

Maar het laten voortbestaan van een structureel racistisch propagandakanaal is geen neutraliteit. Het is medeplichtigheid.

De ironie is bitter: deze leuzen werden geprojecteerd op een brug in een stad die 83 jaar geleden door echte nazi’s werd gebombardeerd. Rotterdam is letterlijk opgebouwd uit het puin van fascistisch geweld. En nu projecteren moderne neonazi’s hun slogans op datzelfde stadsdecor, terwijl media en politiek zich afvragen of het “misschien ook anders bedoeld kan zijn”.

Ondertussen zijn extreemrechtse bewegingen in Nederland genormaliseerd. Politici die openlijk racistische, antisemitische en autoritaire ideeën verspreiden – Baudet, Wilders, Van Haga, Van der Plas, Eerdmans – worden behandeld als gewone gesprekspartners. Een inhoudelijk debat met hen is vrijwel onmogelijk, want elk gesprek verzandt in verdraaiingen, complotten en vijanddenken. Toch worden ze keer op keer uitgenodigd, uit angst voor boze achterbannen en kijkcijfers.

Politie en justitie treden nauwelijks op. De wet bestaat nog, maar de handhaving is praktisch verdwenen. Waar racistische en fascistische uitingen vroeger daadwerkelijk consequenties hadden, is het nu vooral een verdienmodel geworden. Racisme als business, haat als marketingstrategie, verontwaardiging als brandstof voor bereik en donaties.

En zo schuiven we langzaam richting een samenleving waarin neonazistische slogans op iconische bruggen verschijnen, terwijl de reactie bestaat uit twijfel, nuance en mediadebatten. Tot het moment dat woorden weer daden worden. Tot de eerste georganiseerde aanval op een parlement, een redactie of een minderheid. Zoals in de VS op 6 januari 2021.

En ook dan zullen hier weer experts aanschuiven om uit te leggen dat het “nuance behoeft”. Terwijl het probleem allang niet meer nuance is, maar lafheid. Lafheid om te zeggen wat overduidelijk is: dit is racisme. Dit is fascisme. En dit hoort geen podium te krijgen, maar weerstand.