Pagina's

zondag 31 december 2023

(Extreem)rechts gaat de problemen pas zien als ze er niets meer aan kunnen doen

Op de laatste dag van 2023 hangt er geen feeststemming in de lucht, maar onweer. Niet het soort onweer dat vanzelf weer overtrekt, maar een langzaam samenpakkend front dat 2024 dreigt te veranderen in een politiek en maatschappelijk kantelpunt. Een jaar waarin meer dan de helft van de wereldbevolking naar de stembus gaat, maar waarin democratie opvallend vaak wordt ingeruild voor haar karikatuur: autoritaire leiders die zeggen “het volk” te vertegenwoordigen, terwijl ze in werkelijkheid vooral hun eigen macht en die van een kleine elite veiligstellen.

Wat we zien is geen toevallige golf, maar een structurele verschuiving. Extreemrechts verkoopt overal hetzelfde verhaal: de natie is in gevaar, de buitenlander is de vijand, “woke” is de ondergang van de beschaving en sterke leiders zijn de enige oplossing. Het is een politiek sprookje dat inspeelt op angst, nostalgie en frustratie. Een geïdealiseerd verleden dat nooit heeft bestaan wordt gepresenteerd als toekomstvisie. En miljoenen mensen, murw geslagen door onzekerheid, lopen erachteraan alsof het een reddingsboei is.

De ironie is dat extreemrechts zichzelf presenteert als anti-elite, terwijl het in de praktijk juist de meest klassieke machtsstructuren reproduceert: autoritair bestuur, afbraak van rechtsstaat, beperking van burgerrechten en een economie die vooral de superrijken dient. Wie goed kijkt ziet dat deze partijen zelden oplossingen bieden voor woningnood, armoede, zorg of klimaat. Ze bieden vooral vijandbeelden. Migranten, minderheden, journalisten, rechters, wetenschappers. Altijd iemand om de schuld te geven, zodat niemand naar de echte machtsverhoudingen kijkt.

“Wokisme” is daarbij het perfecte scheldwoord geworden. Het staat inmiddels voor alles wat extreemrechts niet bevalt: gelijkheid, diversiteit, klimaatbeleid, sociale rechtvaardigheid, kritische journalistiek. In feite is wokisme niets anders dan de erkenning dat de samenleving divers is en dat die diversiteit rechten verdient. Dat mensen verschillend zijn, verschillend leven, verschillend denken. Maar juist dat pluralisme is voor autoritaire ideologieën ondraaglijk. Die willen één norm, één waarheid, één identiteit. Alles wat daarvan afwijkt wordt gezien als bedreiging.

Het gevaar wordt nog groter doordat gevestigde partijen meegaan in deze retoriek. Uit angst om kiezers te verliezen, nemen ze de taal van extreemrechts over: harder op migratie, kritischer op mensenrechten, sceptischer over klimaat. Ze denken extreemrechts te neutraliseren door het te kopiëren. In werkelijkheid legitimeren ze het. Ze verschuiven het politieke midden naar rechts en maken ideeën die vroeger onacceptabel waren ineens “normaal”. Dat is geen strategie, dat is capitulatie.

Daar komt een geopolitieke dimensie bij die nauwelijks wordt uitgesproken. Veel extreemrechtse partijen in Europa zijn openlijk of stilzwijgend pro-Kremlin. Ze worden financieel gesteund, ideologisch gevoed en herhalen letterlijk Russische propaganda. Oekraïne is daarbij de lakmoesproef. Niet omdat het conflict ver weg is, maar omdat het gaat over de kernvraag: kiezen we voor democratie of voor brute machtspolitiek? In 2024 dreigt de steun voor Oekraïne af te brokkelen, niet omdat Rusland moreel gelijk heeft, maar omdat steeds meer landen leiders krijgen die liever naar Moskou luisteren dan naar hun eigen grondwetten.

Zo ontstaat een wereld waarin autoritaire regimes elkaar versterken. Waar burgerrechten worden uitgehold onder het mom van “veiligheid”. Waar media worden weggezet als vijanden. Waar rechters worden aangevallen, universiteiten verdacht gemaakt en wetenschap ondergeschikt wordt aan ideologie. En altijd met dezelfde belofte: wij beschermen jullie tegen chaos. Terwijl ze die chaos juist zelf creëren.

Het meest tragische is dat veel kiezers pas zullen beseffen wat er gebeurt als het te laat is. Autoritaire regimes worden niet afgeschaft via verkiezingen, maar via crisis. Eerst stemmen mensen op de Rattenvanger van Hamelen omdat hij zo mooi fluit. Pas wanneer ze bij de afgrond staan, horen ze de dissonant.

2024 wordt geen donker jaar omdat “links faalt”, maar omdat extreemrechts wint. Niet door een staatsgreep, maar via de stembus. Democratie die zichzelf afschaft, met applaus van haar eigen kiezers. Dat is geen dystopie uit een roman. Dat is het scenario waar we nu al middenin zitten.

Fijn 2024 gewenst.



maandag 18 december 2023

Over niet al te lange tijd zal Nederland smeken om premier Frans Timmermans

Laten we eerlijk zijn: geen enkel serieus probleem in Nederland wordt opgelost door moslims het land uit te gooien, niet-blanke mensen te weren, wolven af te schieten, kerncentrales overal neer te plempen en opnieuw gas uit Groningen te pompen. Energie wordt daarmee niet gratis, klimaatverandering verdwijnt niet achter een hek en bestaanszekerheid keert niet terug door vijandbeelden te creëren. Dat zijn geen oplossingen, dat zijn slogans. Maar als extreemrechts werkelijk gelooft dat dit wél werkt, dan moeten we ze misschien maar één ding gunnen: de kans om het te bewijzen.

Links kan blijven waarschuwen. Kan blijven uitleggen dat een kabinet met PVV, VVD, NSC en BBB een gevaar vormt voor de rechtsstaat, voor minderheden, voor persvrijheid en voor sociale zekerheid. We kunnen wijzen op Rusland, Turkije en Hongarije, waar leiders via verkiezingen aan de macht kwamen en daarna systematisch de democratie begonnen af te breken. We kunnen analyseren hoe autoritaire regimes altijd beginnen met het ondermijnen van rechters, journalisten en wetenschappers. We kunnen blijven schrijven, debatteren, demonstreren, posten, roepen en waarschuwen.

Maar het probleem is simpel: het heeft niet gewerkt. De Nederlandse kiezer heeft op 22 november anders beslist. Niet ondanks de waarschuwingen, maar er dwars doorheen. En misschien is dat de harde realiteit waar links eindelijk iets mee moet: de boodschap komt niet aan. Niet omdat ze inhoudelijk fout is, maar omdat ze emotioneel niet meer resoneert. Mensen willen geen analyses meer, ze willen ervaren. Ze willen voelen.

Zoals mijn opa altijd zei: wie niet horen wil, moet voelen. En precies daar zit de paradoxale les van dit moment. Misschien moet extreemrechts inderdaad maar regeren. Niet omdat het goed is, maar omdat het onvermijdelijk is. Zolang extreemrechts in de oppositie zit, kan het blijven roepen dat “alles anders kan”, dat “links alles kapot heeft gemaakt” en dat “zij de waarheid durven zeggen”. Zodra ze zelf verantwoordelijk worden, verdampt die mythe.

Dan blijkt ineens dat migratie niet simpel “te stoppen” is zonder internationale afspraken. Dat energie niet goedkoop wordt door gaswinning of kerncentrales, maar juist duurder en complexer. Dat de EU niet zomaar te verlaten of te negeren is zonder economische schade. Dat veiligheid niet groeit door repressie, maar juist instabiliteit oplevert. Dat klimaatproblemen zich niets aantrekken van nationalistische praatjes. En dat de verzorgingsstaat niet te redden valt met belastingverlagingen voor bedrijven en bezuinigingen op publieke voorzieningen.

De geschiedenis laat dat patroon overal zien. In het Verenigd Koninkrijk liet de conservatieve regering zich meeslepen door extreemrechts en eindigde met Brexit, economische chaos en internationale isolatie. In Polen, Spanje, Portugal en Denemarken liepen rechts-conservatieve regeringen vast op hun eigen onuitvoerbare plannen en werden uiteindelijk weggestemd. Overal bleek hetzelfde: extreemrechts kan schreeuwen, maar niet besturen.

In Nederland zal dat niet anders zijn. De PVV is geen partij, maar een eenmansbedrijf zonder interne democratie, zonder tegenspraak, zonder kader. Wilders is geen coalitiepartner, maar een ongeleid projectiel. Hij laat zich niet binden aan afspraken en zal op elk moment zijn eigen koers varen, ongeacht de gevolgen. NSC en VVD zullen voortdurend brandjes moeten blussen, zich moeten verantwoorden voor uitspraken die ze niet hebben gedaan, en hun geloofwaardigheid zien verdampen.

En laten we ook niet doen alsof de VVD een stabiele factor is. Die partij regeert op peilingen, niet op principes. Zodra de wind draait, trekt ze zonder gêne de stekker eruit. Dan valt het kabinet niet door links, maar door interne spanningen, opportunisme en bestuurlijke chaos.

Laat extreemrechts dus maar regeren. Laat ze hun beloften proberen waar te maken. Laat ze botsen met de werkelijkheid. Laat ze ontdekken dat politiek geen Twitter is en dat slogans geen beleid zijn. Want pas wanneer de mythe sterft in de praktijk, ontstaat er weer ruimte voor realisme.

En dan, pas dan, zal Nederland zich afvragen hoe het zover heeft kunnen komen. Dan zal de roep om redelijkheid, om stabiliteit, om sociaal en democratisch bestuur weer terugkeren. Dan zal men smeken om iemand die problemen niet vereenvoudigt tot vijandbeelden, maar ze daadwerkelijk probeert op te lossen.

En ja, dan klinkt er misschien weer die zin:
“Frans, vergeef ons onze zonden en verlos ons van het extreemrechtse kwaad.”

Niet omdat links ineens gelijk heeft gekregen.
Maar omdat extreemrechts zichzelf definitief heeft ontmaskerd.



zaterdag 16 december 2023

Gaat Talpa de NPO kopen?

De overname van RTL Nederland door het Belgische DPG Media voor 1,1 miljard euro is op het eerste gezicht gewoon een zakelijke deal. Twee mediabedrijven, een hoop geld, wat zenders die van eigenaar wisselen. Maar wie iets verder kijkt ziet geen marktlogica, maar een structurele verschuiving in de macht over het Nederlandse medialandschap. Een verschuiving die gevaarlijker is dan ze lijkt, juist omdat ze zich zo geruisloos voltrekt.

Met de aankoop van RTL4, RTL5, RTL7, RTL8, BuienRadar en Videoland haalt DPG in één klap een enorm stuk van de Nederlandse commerciële televisie binnen. Daarmee blijven er feitelijk nog maar twee grote spelers over: DPG en Talpa. Twee mediaconcerns die samen het grootste deel van kranten, tijdschriften, radio, televisie en online nieuwsplatforms in handen hebben. Dat is geen gezonde mediamarkt meer, dat is een duopolie. En duopolies zijn funest voor pluriformiteit, journalistieke onafhankelijkheid en democratische controle.

De ironie wil dat het juist DPG was dat eerder bij de mededingingsautoriteit protesteerde tegen de overname van RTL door Talpa. Toen heette het dat De Mol te machtig zou worden. Nu doet DPG precies hetzelfde, maar dan met Belgische handtekening. Het verschil? DPG had nog geen televisiezenders in Nederland, dus mocht het wel. Juridisch klopt dat misschien. Democratisch is het een gotspe.

En daarmee is het verhaal nog niet eens compleet. Want wie denkt dat dit het eindpunt is, vergist zich. De echte prooi ligt nog op tafel: de NPO.

Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog stevent Nederland af op een kabinet waarin extreemrechts een dominante rol speelt. De PVV wil al jaren de NPO opheffen. Forum voor Democratie wil de publieke omroep “saneren”, wat in de praktijk betekent: ideologisch zuiveren. BBB en NSC klagen voortdurend dat de NPO “te links” is. En de VVD ziet de publieke sector sowieso liever als handelswaar dan als democratische infrastructuur. Alle politieke ingrediënten zijn aanwezig voor een historische stap: de ontmanteling en privatisering van de publieke omroep.

Daar komt een financieel argument bij dat politiek uiterst bruikbaar is. De staatskas is leeg, zeggen ze. Door jarenlange belastingcadeaus aan multinationals en superrijken – precies de achterban van partijen als VVD – moet er worden bezuinigd. En wat verkoop je dan als eerste? Bezittingen. Publieke eigendommen. De NPO.

En wie staat er klaar met de portemonnee? John de Mol. Dezelfde John de Mol die met Talpa al heeft laten zien welk geluid hij probleemloos faciliteert. Die Johan Derksen, Wilfred Genee en René van der Gijp binnenhaalde als dagelijkse politieke entertainmentmachine. Die opiniemakers als Gerard Joling en Angela de Jong ruim baan geeft. Miljonairs die worden betaald door een miljardair, met een duidelijk ideologisch profiel: rechts, nationalistisch, anti-“woke”, anti-publiek.

Als de NPO wordt verkocht aan Talpa ontstaat een medialandschap waarin letterlijk twee bedrijven bepalen wat Nederland ziet, hoort en leest. DPG en Talpa. Beide commercieel. Beide ideologisch niet neutraal. Beide met sterke belangen bij het bestaande economische en politieke machtssysteem. Dat is geen vrije pers meer, dat is geconcentreerde macht.

Het wordt nog cynischer wann

eer je bedenkt dat dezelfde partijen die nu klagen over een “linkse NPO” jarenlang probleemloos meewerkten aan een publieke omroep die steeds rechtser werd. Toen BNNVARA zich terugtrok uit Op1, vroegen commentatoren zich hardop af of de NPO niet te veel naar rechts was opgeschoven. Kort daarna won extreemrechts de verkiezingen met overmacht. Media vormen geen kiezers in één dag, maar ze verschuiven wel degelijk het denkraam waarbinnen politiek plaatsvindt.

En dat is precies waar dit over gaat. Niet over België, niet over RTL, niet eens over John de Mol. Het gaat over wie de werkelijkheid mag definiëren. Wie bepaalt welk verhaal dominant is. Welke stemmen structureel worden gehoord en welke verdwijnen.

Een land met twee mediabedrijven en een extreemrechts kabinet is geen democratie meer, maar een geregisseerde publieke ruimte. Waar “meningen” worden verkocht als nieuws. Waar kritiek wordt weggezet als activisme. Waar journalisten vervangen worden door opiniemakers en entertainment.

De overname van RTL door DPG is geen losstaand incident. Het is een schaakzet in een groter spel. En de volgende zet ligt al klaar: de NPO.

Niet omdat dat economisch logisch is.
Maar omdat het politiek perfect past in het langzaam, maar doelbewust afbreken van de democratische infrastructuur.
Stap voor stap. Zonder revolutie. Zonder tanks.
Gewoon met contracten, deals en aandeelhouders.



dinsdag 12 december 2023

De stille dood van de democratie

Geef die Wildersrevolte even een kans, schreef het FD vlak na de verkiezingen. Ons politieke stelsel kan best tegen een stootje. ‘Een weerbare democratie heeft geen reden om bang te zijn voor Wilders’, was de conclusie.

Na het lezen van het boek “How Democracy Dies” ben ik daar niet zo zeker van. Harvard politicologen Steven Levitsky en Daniel Ziblatt beschrijven hoe moderne democratieën afbrokkelen. Dat gaat meestal niet via een militaire coup of abrupt afschaffen van de grondwet. Dat gebeurt in stapjes, die soms onopgemerkt blijven.

Als een radicaalrechts Kamerlid een ‘Polenmeldpunt’ opzet en de premier dat niet veroordeelt. Brokkel, brokkel. Als hij journalisten ‘tuig van de richel’ noemt. Brokkel. Als hij de ene minister stelselmatig uitmaakt voor ‘heks’, en de ander verdacht maakt vanwege haar afkomst. Brokkel de brokkel. Als iemand die alle korans, moskeeën en Islamitische scholen wil uitbannen door serieuze media ’Geert Milders’ wordt genoemd en wordt geroemd om zijn ‘gevoel voor humor’. Als het Jeugdjournaal hem aankondigt als de lijsttrekker die ‘het liefst drie keer achter elkaar in de Droomvlucht gaat, en gek is op katten’. Brokkel. Als een kabinet met de PVV opeens ‘centrum rechts’ wordt genoemd. Brokkel, brokkel, brokkel.

Levitsky en Ziblatt laten zien dat autocraten steeds via dezelfde weg aan de macht komen. Ze worden verkozen of sluiten allianties met gevestigde politieke partijen. Elke keer geloofden die dat de deur openzetten zou helpen op het radicaal rechtse gedachtegoed klein te houden. Maar dat plan, zo weer intussen ook het VVD campagneteam, werkt averechts.

Demagogen zijn overal. En hoewel de reactie van de media ertoe doen, is die van politieke partijen het belangrijkst. Zij zijn de poortwachters van de democratie, zeggen de Harvard politicologen. Wie de democratie effectief wil verdedigen, moet extremisten isoleren en verslaan. Zie Oostenrijk in 2016. Nadat de kandidaat van de centrumrechtse partij (ÖVP) in de eerste ronde was uitgeschakeld, steunden de centrumrechtse leiders met frisse tegenzin de Groene partij. Alles om te voorkomen dat de radicaal rechts (FPÖ) aan de macht zou komen. De strategie werkte: de FPÖ werd verslagen en de Groenen leverden de president.

Met hun handreiking naar de PVV legitimeren VVD en NSC het racisme, de islamofobie, de transfobie, het klimaatontkennen, het Poetin knuffelen, het seksisme en het anti-Europa sentiment dat Wilders al twintig jaar spuit. Ze vergoelijken het: hij belooft dat hij zijn standpunten ‘in de ijskast’ zal zetten, en dat hij premier ‘van alle Nederlanders’ zal zijn.

De geschiedenis belooft ons iets anders.

 Bron: Sophie van Gool (FD, 12 december 2023)


woensdag 22 november 2023

Reactie op de verkiezingsuitslag van 22 november 2023

De monsteroverwinning van de PVV is geen ongeluk, geen plotselinge ontsporing van “het volk” en zelfs niet in de eerste plaats het succes van Geert Wilders. Het is het eindproduct van dertien jaar VVD-beleid. Wie echt wil begrijpen waarom extreemrechts nu zo groot is geworden, moet niet naar de PVV kijken, maar naar de partij die al die jaren aan de knoppen zat: de VVD.

Dertien jaar lang was de VVD de dominante macht in Nederland. In kabinetten, in de Tweede Kamer, in de Eerste Kamer, in provincies, gemeenten en bestuurskamers. Mark Rutte was niet zomaar premier, hij was het gezicht van een tijdperk. Een tijdperk waarin economische groei werd verkocht als vooruitgang, terwijl een steeds groter deel van de bevolking juist achteruitging. Wonen werd onbetaalbaar, vaste banen verdwenen, zorg en onderwijs werden uitgekleed, energie werd een luxeproduct en bestaanszekerheid veranderde in een gunst in plaats van een recht.

Tegelijkertijd werden multinationals ontzien, vermogens belast met fluwelen handschoenen en kregen grote bedrijven structureel fiscale voordelen. Nederland werd een belastingparadijs voor het grootkapitaal en een hindernisbaan voor gewone burgers. Wie weinig had, moest vechten om te overleven. Wie veel had, kreeg er steeds meer bij. Dat is geen links frame, dat is de feitelijke uitkomst van dertien jaar neoliberaal beleid.

En toen, midden in een opeenstapeling van crises – klimaat, woningnood, energie, oorlog, migratie – trok de VVD doodleuk zelf de stekker uit het kabinet. Niet omdat het land onbestuurbaar was, maar omdat het politiek strategisch beter uitkwam. Eigenbelang boven landsbelang. De partij die altijd roept dat ze “verantwoordelijkheid neemt”, vluchtte op het moment dat die verantwoordelijkheid echt pijn begon te doen.

Daarmee werd het cynisme definitief. Want als zelfs de partij die al dertien jaar regeert niet meer wil regeren, waarom zou iemand het systeem dan nog vertrouwen? In dat vacuüm groeit geen gematigdheid, maar woede. Geen nuance, maar rancune. Precies het klimaat waarin extreemrechts floreert.

De VVD maakte het nog erger door tijdens de campagne openlijk te flirten met de PVV. Eerst kon samenwerking “best”. Toen weer niet. Daarna toch misschien. En uiteindelijk weer niet. Maar toen was het al te laat. De VVD had de PVV genormaliseerd, gelegitimeerd en grootgemaakt. Wat jarenlang “onacceptabel” heette, werd ineens een serieuze optie. Daarmee gaf de VVD Wilders precies wat hij nodig had: erkenning als machtsfactor.

De boodschap aan de kiezer was helder, ook al bedoelde de VVD het misschien anders: stem je boosheid maar af bij Wilders, want hij hoort er nu gewoon bij. Dat bleek een geopende doos van Pandora. Het monster dat de VVD zelf had losgelaten, liet zich niet meer temmen.

De PVV-winst is dus geen breuk met het verleden, maar de logische consequentie ervan. Extreemrechts groeit niet in een vacuüm, maar in een samenleving waar mensen zich structureel genegeerd, uitgeknepen en machteloos voelen. Waar instituties falen, vertrouwen verdampt en politiek vooral lijkt te draaien om aandeelhouders, lobbyisten en carrièretijgers.

En nu mag Mark Rutte vertrekken naar de NAVO, alsof hij een succesvolle manager is die wordt gepromoveerd. Het voelt eerder als politieke vlucht vooruit. Dertien jaar lang leidde hij een land waarin de sociale samenhang afbrokkelde, de ongelijkheid explodeerde en het fundament onder de democratie langzaam werd weggevreten. Dat hij nu als internationaal staatsman wordt binnengehaald, is bijna ironisch.

De PVV is het symptoom. De VVD is de oorzaak. Wie dat niet onder ogen wil zien, begrijpt niets van deze verkiezingsuitslag. Extreemrechts is niet uit het niets opgestaan, het is grootgebracht. Door beleid dat structureel faalde voor de meerderheid en structureel werkte voor de bovenlaag. Als je mensen jarenlang vertelt dat ze pech hebben, dat de markt het oplost en dat solidariteit “links hobbyisme” is, moet je niet verbaasd zijn als ze uiteindelijk stemmen op iemand die belooft het hele systeem te slopen.



donderdag 16 november 2023

Waarom een rechts-rechts/rechts-conservatief kabinet goed is voor Nederland

Met nog een week te gaan tot de Tweede Kamerverkiezingen tekent zich een politiek scenario af dat tot voor kort ondenkbaar leek: een uitgesproken rechts-rechts kabinet met een stevige meerderheid. Een coalitie van NSC, VVD, PVV, JA21, BBB, CDA en SGP zou volgens de peilingen kunnen uitkomen op zo’n tachtig tot vijfentachtig zetels. Het meest rechtse kabinet uit de Nederlandse geschiedenis, met Dylan Yesilgöz als premier, lijkt ineens geen fantasie meer maar een reële optie. Voor veel kiezers klinkt dat als de langverwachte doorbraak: eindelijk wordt “doorpakken” mogelijk, eindelijk kan rechts zijn plannen “erdoor drukken”.

Dat enthousiasme is verklaarbaar. Een groot deel van de kiezers wil strengere migratiepolitiek, minder Europese bemoeienis, hogere straffen, kerncentrales en een kleinere publieke sector. Ontwikkelingshulp mag wat hen betreft verdwijnen en de publieke omroep wordt gezien als een links bolwerk dat best mag worden gekortwiekt. In die logica is een rechts-rechts kabinet de ultieme wensdroom: geen lastige linkse coalitiepartners meer, geen compromissen, maar beleid dat eindelijk aansluit bij wat “de gewone Nederlander” zou willen.

Maar precies daar schuilt het gevaar. Niet omdat rechts per definitie slecht zou zijn, maar omdat deze specifieke coalitie vooral bestaat uit politieke tegenstrijdigheden, onuitvoerbare plannen en onderlinge wantrouwen. Zeven of acht partijen in één kabinet is geen daadkracht, maar een recept voor permanente ruzie. PVV en JA21 zijn elkaars vijanden, CDA en PVV dragen oud zeer met zich mee, VVD en BBB botsen over Europa en stikstof, SGP wil terug naar de jaren vijftig en NSC fungeert als morele poortwachter die bij elk controversieel voorstel op de rem zal staan.

Daarbij komt dat een aanzienlijk deel van de “harde plannen” juridisch of praktisch niet haalbaar is. De PVV wil al twintig jaar de Koran verbieden en moskeeën sluiten, maar botst daarmee frontaal op de Grondwet. De SGP wil de bewegingsvrijheid van vrouwen beperken, wat eveneens ongrondwettelijk is. JA21 en BBB flirten met een vertrek uit de EU, terwijl de VVD dat economisch suïcidaal vindt. De doodstraf, waar PVV, JA21 en SGP openlijk voor zijn, vereist een grondwetswijziging met tweederdemeerderheden in twee parlementen. Dat is politieke sciencefiction.

Ook de paradepaardjes van rechts blijken bij nader inzien luchtkastelen. Kerncentrales bouwen kost decennia, miljarden en politieke moed. In een dichtbevolkt land als Nederland wil niemand zo’n centrale in zijn achtertuin, ook de rechtse kiezer niet. De kleine modulaire kernreactoren waar BBB mee schermt bestaan technologisch nauwelijks buiten PowerPointpresentaties. In Groot-Brittannië is men daar al pijnlijk tegenaan gelopen. De belofte van “goedkope kernenergie” is vooral ideologie, geen realistisch beleid.

Wat overblijft is een kabinet dat hoge verwachtingen wekt, maar vrijwel zeker vastloopt in interne conflicten en onuitvoerbare plannen. En dat is precies het punt waar het paradoxale voordeel van een rechts-rechts kabinet zichtbaar wordt. Want niets is zo funest voor politieke mythes als de werkelijkheid. Zolang rechts in de oppositie zit, kan het blijven roepen dat alles anders en beter kan. Zodra het zelf moet leveren, blijkt hoe beperkt de speelruimte is.

De voorbeelden liggen voor het oprapen. In het Verenigd Koninkrijk beloofden de Conservatieven na de Brexit soevereiniteit en welvaart, maar leverden inflatie, personeelstekorten en economische stagnatie. In Polen verloor de rechts-conservatieve PiS haar meerderheid door onuitvoerbare plannen en autoritaire reflexen. In Spanje en Denemarken werden rechtse regeringen afgestraft wegens chaos, schandalen en teleurstellende resultaten. Overal leidde de realiteit uiteindelijk tot een terugkeer van centrumlinkse coalities.

Nederland zal geen uitzondering zijn. Een rechts-rechts kabinet zal niet instorten door links, maar door zichzelf. Door ruzie, door juridische blokkades, door valse beloften en door het onvermijdelijke besef dat politiek complexer is dan campagnepraat. De hype rond Pieter Omtzigt zal snel wegebben, de interne spanningen zullen toenemen en de kiezers zullen zich bedrogen voelen.

In die zin is een rechts-rechts kabinet inderdaad goed voor Nederland. Niet omdat het land er beter van wordt, maar omdat het de illusies van rechts definitief zal ontmaskeren. Soms is de beste manier om een politieke mythe te vernietigen haar simpelweg de macht te geven. Daarna hoeft links alleen nog maar te wachten.




dinsdag 7 november 2023

Wie in Pieter Omtzigt de nieuwe Geert Wilders ziet zal na de verkiezingen zwaar bedrogen uitkomen

Het is nog twee weken tot de verkiezingen en Pieter Omtzigt weet nog steeds niet of hij premier wil worden. Dat is op zichzelf al opmerkelijk. In een land waar politieke leiders doorgaans over elkaar heen buitelen om het Torentje, houdt de man die volgens peilingen de grootste partij kan worden de boot angstvallig af. Op elke directe vraag volgt hetzelfde ontwijkende antwoord: hij wil zijn plannen realiseren, niet per se premier zijn. Het klinkt bescheiden, bijna principieel, maar in werkelijkheid is het vooral strategische vaagheid. Omtzigt probeert een mythe in stand te houden zonder zich ergens aan vast te leggen.

Die mythe is door talkshows, kranten en opinieprogramma’s zorgvuldig opgebouwd. Pieter Omtzigt als de redder van Nederland, de integere dossierbijter die het systeem gaat hervormen. De verkiezingen draaien inmiddels niet om partijen of programma’s, maar om één persoon. De meest gestelde vragen zijn niet “wat wilt u veranderen?”, maar “bent u beschikbaar?” en “wat gaat Omtzigt doen?”. Het is persoonsverheerlijking in een democratie die ooit draaide om ideeën. En juist die persoonsverheerlijking zal zijn kiezers straks duur komen te staan.

Want wie goed kijkt naar het gedrag van Omtzigt ziet geen toekomstige premier, maar een politieke regisseur. Iemand die liever op de achtergrond stuurt dan zelf verantwoordelijkheid neemt. In de debatten van de afgelopen weken is hij opvallend mild richting Frans Timmermans. Sterker nog: Omtzigt en Timmermans zoeken elkaar zichtbaar op. Ze organiseren samen debatten, trekken gezamenlijk op en mijden zelfs gezamenlijk bepaalde tv-optredens. Dat is geen toeval, dat is coalitievoorbereiding.

De logische conclusie, hoe onprettig die voor zijn achterban ook is, is dat Omtzigt helemaal niet van plan is om zelf premier te worden. Hij weet dat zijn electoraat, dat grotendeels uit teleurgestelde CDA’ers, VVD’ers en rechtse zwevers bestaat, gruwelt van een premier Timmermans. Daarom zegt hij het niet hardop. Maar politiek gezien ligt het voor de hand: Timmermans heeft bestuurservaring, internationale status en een duidelijke ambitie. Omtzigt heeft vooral twijfels, mitsen en maren.

De teleurstelling zal groot zijn, omdat Omtzigt impliciet allerlei verwachtingen heeft laten ontstaan die hij nooit expliciet heeft bevestigd. Kerncentrales? Gaan er niet komen. Migratieplafond van 50.000? Onhaalbaar. Verbod op de Koran? Juridisch onmogelijk. Massaal sluiten van moskeeën? Volstrekte fantasie. De gedroomde rechtse megacoalitie van NSC, VVD, JA21, CDA en SGP? Politiek instabiel en inhoudelijk incoherent. In plaats daarvan ligt een coalitie van NSC, PvdA/GroenLinks en VVD veel meer voor de hand, met Timmermans als premier en Omtzigt als moreel geweten op de achtergrond.

Het pijnlijke is dat Omtzigt dit allemaal weet. Hij is geen naïeveling, geen politieke beginner. Hij weet precies wat wel en niet kan binnen het Nederlandse staatsrecht en binnen de realiteit van coalitievorming. Maar hij laat zijn achterban bewust in een illusie. De illusie dat hij de nieuwe rechtse verlosser is, de man die “het systeem” gaat breken. Terwijl hij in werkelijkheid bezig is met het bouwen van een klassiek middenkabinet.

En daarmee dreigt Omtzigt hetzelfde lot als al zijn voorgangers in het rechtse messianisme. Fortuyn, Wilders, Verdonk, Baudet, Van der Plas: telkens weer werd een figuur opgeblazen tot redder, om vervolgens keihard te imploderen zodra de werkelijkheid zich aandiende. Nog geen jaar geleden was de BBB de grootste partij van het land. Nu resteert een schim. De hype verdampt altijd sneller dan de teleurstelling kan worden verwerkt.

Ook Omtzigt zal dat patroon niet doorbreken. Zodra blijkt dat hij geen premier wordt en dat zijn “nieuwe bestuurscultuur” eindigt in een vrij klassieke coalitie met Timmermans, zal zijn heilige status snel afbrokkelen. Wie in Pieter Omtzigt de nieuwe Geert Wilders ziet, zal na de verkiezingen ontdekken dat hij vooral heeft gestemd op de stille partner van Frans Timmermans. En dat is niet alleen politieke ironie, maar ook het definitieve einde van de Omtzigt-mythe.



zaterdag 14 oktober 2023

Er zal nog heel wat water door de Rijn stromen willen Willy en Max zich melden bij het UWV

Het klinkt stoer en principieel: GroenLinks/PvdA die tijdens het congres van oktober 2023 een motie aannemen om het koningshuis af te schaffen en Nederland weer tot republiek uit te roepen. Met 54 procent was er net genoeg draagvlak om het idee in het verkiezingsprogramma te krijgen. Maar achter dat symbolische gebaar schuilt vooral politieke schijnvertoning. De motie is minder een realistisch plan dan een moreel statement, bedoeld om een gevoel van onvrede te kanaliseren dat al jaren in de samenleving sluimert.

Die onvrede is begrijpelijk. Het koningshuis heeft zichzelf de afgelopen decennia niet bepaald onmisbaar gemaakt. Willem-Alexander en Máxima leven in een wereld die steeds verder af komt te staan van die van de gemiddelde Nederlander. Jaarlijks ontvangt de koninklijke familie tientallen miljoenen euro’s aan staatssteun, terwijl het eigen vermogen inmiddels ruim boven het miljard ligt. Belastingen betalen ze niet, omdat in de jaren zeventig wettelijk is vastgelegd dat de Oranjes zijn vrijgesteld. Hun paleizen zijn eigendom van de staat, hun beveiliging, vervoer en personeel eveneens. Het is een systeem waarin publieke middelen structureel worden ingezet voor het comfort van een kleine erfelijke elite.

Daar komt bij dat de familiegeschiedenis allesbehalve een visitekaartje is. Prins Bernhard, opa van de koning, bleek niet alleen corrupt in de Lockheed-affaire, maar had ook openlijke nazi-sympathieën en verwekte meerdere buitenechtelijke kinderen. Zijn zoon, Bernhard junior, is uitgegroeid tot een vastgoedmagnaat met honderden panden in Amsterdam, een stad waar woningnood inmiddels structureel is. Dat vermogen is opgebouwd binnen een constructie die direct voortvloeit uit de fiscale uitzonderingspositie van de koninklijke familie. Dat iemand met zulke privileges nul belasting betaalt terwijl starters geen huis kunnen vinden, is moreel nauwelijks te verdedigen.

Het monarchistische argument dat de koning “deuren opent” in het buitenland klinkt intussen steeds holler. Alsof handelsverdragen afhangen van een handdruk van Willem-Alexander. Grote economieën als Duitsland, Frankrijk, de Verenigde Staten en China functioneren prima zonder koning. Diplomatie draait om economische belangen, niet om erfelijke symboliek. Het idee dat buitenlandse leiders onder de indruk zouden zijn van het Nederlandse koningspaar is eerder nostalgie dan realiteit. Het beruchte biertje met Poetin in Sotsji liet eerder zien hoe wereldvreemd dat koninklijke netwerk soms is.

Toch is de republikeinse droom van GroenLinks/PvdA voorlopig vooral theater. Het afschaffen van de monarchie vereist een grondwetswijziging met tweederdemeerderheden in beide Kamers, en die zijn er bij lange na niet. Zelfs met groeiende kritiek blijft een aanzienlijk deel van de bevolking emotioneel gehecht aan het koningshuis. Het is folklore, traditie, nationale identiteit. Niet rationeel, maar politiek wel degelijk relevant.

Daar zit de kern van het probleem. Het koningshuis is in Nederland geen functionele institutie, maar een cultureel symbool dat met publieke middelen in stand wordt gehouden. De discussie gaat daarom niet echt over staatsrecht, maar over ongelijkheid. Over een familie die boven de wet staat in een samenleving die juist steeds harder vraagt om transparantie, rechtvaardigheid en solidariteit. De motie van GroenLinks/PvdA raakt dus wel degelijk een gevoelige snaar, maar biedt geen realistisch pad naar verandering.

De monarchie zal voorlopig blijven bestaan, niet omdat zij zo overtuigend presteert, maar omdat het politieke systeem haar beschermt. Het echte debat zou niet moeten gaan over republiek of kroon, maar over privileges. Over belastingvrijstellingen, vastgoedconstructies en publieke financiering. Zolang de Oranjes zich gedragen als miljardairs met een staatsgarantie, blijft elke lofzang op hun “verbindende rol” vooral een duur sprookje. En sprookjes zijn prima voor kinderen, maar twijfelachtig als fundament van een moderne democratie.



donderdag 27 juli 2023

De campagne #ZetDeKnopOm is blijkbaar niet van toepassing op het grootkapitaal

Terwijl de Nederlandse overheid met de campagne #ZetDeKnopOm burgers oproept om korter te douchen, de verwarming lager te zetten en vooral niet onnodig energie te verspillen, stapt de KLM Groep samen met zeven andere luchtvaartmaatschappijen en een leger van maar liefst 29 Zuidas-advocaten naar de rechter om precies het tegenovergestelde te bepleiten: méér vliegen, méér uitstoot, méér schade. Delta, United, Air Canada, JetBlue, Corendon, TUI en EasyJet willen de voorgenomen krimp van Schiphol koste wat kost tegenhouden. Gesteund door de internationale lobbyclub IATA, die financieel bijspringt, wordt de rechter gevraagd het klimaatbeleid van de overheid terug te draaien in het belang van de aandeelhouder.

Dat de luchtvaartsector zich ondertussen presenteert als groen en duurzaam is een staaltje marketing dat grenst aan pure misleiding. Elektrische pushbacktrucks, herbruikbare koffiebekers en zogenaamde CO₂-compensatieprogramma’s moeten vooral jonge reizigers het gevoel geven dat ze verantwoord de wereld rondvliegen. De boodschap is subtiel maar effectief: je kunt blijven consumeren, zolang je er maar een groen sausje overheen giet. In werkelijkheid verandert er niets aan het fundamentele probleem. Vliegen is en blijft een van de meest vervuilende vormen van transport. Bomen planten in Indonesië of Peru compenseert geen kerosine boven Europa. Dat extra geld verdwijnt vooral richting aandeelhouders, niet richting het klimaat.

De noodzaak van krimp op Schiphol is nauwelijks omstreden. Minder vluchten betekent minder stikstof, minder CO₂, minder geluidsoverlast en minder druk op ruimte en natuur. In Duitsland werken overheid, spoorwegen en luchtvaart samen om korte vluchten te vervangen door treinreizen. In Frankrijk zijn binnenlandse vluchten wettelijk beperkt. Nederland daarentegen staat met 29 advocaten tegenover zijn eigen klimaatdoelen. Niet omdat er geen alternatieven zijn, maar omdat winst belangrijker wordt geacht dan leefbaarheid.

Schiphol behoort tot de grootste luchthavens van Europa. Juist daarom is deze zaak zo cruciaal. De luchtvaartsector weet dat een nederlaag in Haarlem gevolgen kan hebben voor Frankfurt, Parijs, Madrid en Londen. Dit is geen lokaal conflict, maar een proefproces. Als Nederland durft te krimpen, kunnen andere landen volgen. En precies dat scenario jaagt de sector angst aan. Niet het klimaat, niet de leefomgeving, niet de gezondheid van omwonenden – maar het precedent.

Het patroon is herkenbaar. Taxichauffeurs vechten tegen Uber. Boeren tegen krimp van de veestapel. Media tegen AI. De luchtvaart tegen krimp van Schiphol. Het zijn allemaal achterhoedegevechten van sectoren die weten dat hun businessmodel niet toekomstbestendig is, maar weigeren dat te accepteren. In plaats van zich aan te passen, wordt het rechtssysteem ingezet om verandering te blokkeren. Hoeveel geld het ook kost. Hoe groot de maatschappelijke schade ook is.

Het grote probleem is niet dat bedrijven hun belangen verdedigen. Dat is voorspelbaar. Het probleem is dat we deze strijd nog steeds framen als een debat tussen gelijkwaardige partijen. Alsof “economische belangen” en “klimaat” twee meningen zijn die je netjes tegen elkaar kunt afwegen. Dat stadium zijn we al lang voorbij. Dit is geen meningsverschil meer, dit is een botsing tussen fysieke grenzen en financiële illusies.

Bedrijven die zich duurzaam noemen maar tegelijk procederen tegen milieumaatregelen bedrijven geen groene innovatie, maar groene propaganda. Duurzaamheid als marketinginstrument, niet als moreel kompas. De campagne #ZetDeKnopOm blijkt vooral bedoeld voor burgers, niet voor multinationals. De gewone consument moet minderen, terwijl het grootkapitaal zijn privileges juridisch dichttimmert.

De luchtvaart vecht hier niet voor vrijheid, bereikbaarheid of internationale verbondenheid. Ze vecht voor omzet. Voor dividend. Voor het recht om te blijven doen alsof oneindige groei mogelijk is op een eindige planeet. En zolang rechters, politici en aandeelhouders die illusie blijven faciliteren, is #ZetDeKnopOm niets meer dan een slogan. Het echte knopje dat om moet, zit niet in onze meterkast, maar in het economische systeem dat winst nog altijd boven leefbaarheid plaatst.

zondag 16 juli 2023

Wanneer Pieter Omtzigt zijn reputatie naar de kloten wil zien gaan dan moet hij een eigen partij beginnen

Wanneer Pieter Omtzigt zijn zorgvuldig opgebouwde reputatie in één klap wil slopen, hoeft hij eigenlijk maar één ding te doen: een eigen politieke partij beginnen. Dat klinkt paradoxaal in een land waar hij inmiddels wordt behandeld als een soort seculiere messias, maar juist die verering is zijn grootste valkuil. Omtzigt is groot geworden als controleur van de macht, als dossierbijter, als man die misstanden blootlegde waar anderen liever over zwegen. Maar wie van waakhond premierkandidaat wil worden, verruilt moreel gezag voor politieke verantwoordelijkheid. En daar gaat het bijna altijd mis.

Sinds Mark Rutte hem persoonlijk richting de zijlijn dirigeerde, hangt Omtzigt als een politieke schim boven Den Haag. Iedereen wil hem hebben, niemand weet wat hij wil. Maurice de Hond peilt hem al maanden als electorale superster, zonder dat er ook maar één partijprogramma ligt. De boerenlobbyclub BBB zag in hem zelfs de ideale premierskandidaat: een keurige man met bestuurlijke uitstraling die hun populistische project van een serieus sausje zou voorzien. Caroline van der Plas zou graag een stap opzij doen, zolang Omtzigt haar vehikel maar bestuurbaar maakt. Maar Omtzigt bedankte beleefd. Terecht.

Want wie iets beter kijkt naar BBB ziet precies waarom Omtzigt daar ver vandaan moet blijven. Een partij vol politieke nomaden: oud-CDA’ers, ex-VVD’ers, afgedankte FvD’ers en beroepscarrièristen die hun zetel vooral zien als verlengstuk van hun cv. Mensen zonder ideologie, zonder loyaliteit, zonder langetermijnvisie. Vandaag BBB, morgen De Mos, overmorgen weer iets nieuws. Omtzigt weet als geen ander hoe snel politieke sterren kunnen doven. Hij heeft het zelf meegemaakt.

Maar ook een eigen partij biedt geen garantie op succes. Integendeel. Crowdfunding leverde een paar ton op, maar dat is in campagnetermen kleingeld. Verkiezingen kosten miljoenen. Mediaoptredens, campagnes, organisatie, personeel, dat draait allemaal op geld en macht. En juist daar wringt het. Omtzigt is populair, maar inhoudelijk opvallend vaag. Over de grote vraagstukken van deze tijd – woningnood, klimaat, zorg, ongelijkheid, stikstof, energie, geopolitiek – weten we vrijwel niets van zijn standpunten. Niet omdat hij niets zegt, maar omdat hij structureel weigert keuzes te maken.

Dat is zijn kracht als Kamerlid, maar zijn zwakte als leider. Controle is iets anders dan besturen. Kritiek leveren is makkelijker dan beleid maken. Iedereen kan zeggen dat het systeem kapot is, maar iemand moet het repareren. En precies daar ontbreekt het Omtzigt aan: een samenhangende visie op hoe Nederland eruit moet zien. Hoe ziet zijn economie eruit? Zijn klimaatbeleid? Zijn buitenlandpolitiek? Zijn antwoord op de zorgcrisis? Zijn houding tegenover China, Rusland, de VS? Niemand weet het. Waarschijnlijk hijzelf ook niet.

Daar komt nog iets bij: elke nieuwe partij trekt opportunisten aan. Mensen met verborgen agenda’s, persoonlijke vetes, lobbybelangen. Omtzigt mag dan integer zijn, zijn toekomstige fractie zal dat gegarandeerd niet volledig zijn. En dan begint het echte werk: interne conflicten, mediadruk, lekken, teleurstellingen, compromissen. De heiligverklaring van Omtzigt door pers en publiek zal binnen een jaar omslaan in teleurstelling, cynisme en afrekening. Want wie als redder wordt gepresenteerd, wordt ook als eerste verantwoordelijk gehouden wanneer de problemen blijven bestaan.

Omtzigt zal stemmen afsnoepen bij PVV, FvD, VVD en CDA. Dat klopt. Maar daarna begint pas de ellende. Dan moet hij leveren. Dan moet hij regeren. Dan moet hij doen wat Rutte ook niet kon: structurele oplossingen bieden voor structurele crises. En die oplossingen heeft ook Pieter Omtzigt niet.

Misschien is dat de echte tragiek van Omtzigt: hij is op zijn best als hij níet aan de macht is. Als luis in de pels. Als systeemkriticus. Niet als systeembeheerder. Zijn grootste politieke daad zou dan ook zijn om géén partij te beginnen. Zich terugtrekken, afstand houden, mythe blijven in plaats van mislukt leider worden.

Soms is de meest rationele keuze: niet meedoen. En in dit geval zou dat voor Omtzigt zelf, en waarschijnlijk ook voor het land, de beste uitkomst zijn.



zaterdag 8 juli 2023

DE VALSE START VAN RUTTE IV KWAM NOOIT MEER GOED

De politieke carrière van Mark Rutte laat zich inmiddels lezen als een handleiding in hoe je macht behoudt zonder verantwoordelijkheid te nemen. Het begon allemaal onschuldig genoeg met een achteloos zinnetje in de formatie van Rutte III: “functie elders”. Wat bedoeld was als interne notitie, bleek een venster op de ware bestuursstijl van Rutte. Pieter Omtzigt, de lastigste controleur van het kabinet, moest weg. Niet inhoudelijk bestreden, maar administratief verwijderd. Rutte ontkende eerst glashard dat hij dat had voorgesteld, maar enkele weken later bleek uit vrijgegeven stukken dat hij het wel degelijk had gedaan. Het was geen verspreking, het was strategie.

Omtzigt had Rutte immers in het nauw gedreven met de toeslagenaffaire. Hij stelde vragen waar geen antwoorden op waren. Hij las dossiers die anderen liever gesloten hielden. Dus moest hij uit beeld. Dat het CDA zijn eigen kroonjuweel niet verdedigde maar liet vallen, maakte het alleen maar schrijnender. Omtzigt vertrok. Rutte kreeg zijn zin. En de boodschap aan de rest van de Kamer was glashelder: wie te lastig wordt, ligt eruit.

In theorie had dit het einde van Rutte moeten zijn. Zelfs zijn eigen coalitiepartners vonden het “functie elders”-moment onacceptabel. ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers sprak als eerste uit dat samenwerking met de VVD niet langer vanzelfsprekend was. Sigrid Kaag ging nog verder en sprak de historische woorden: “Hier scheiden onze wegen.” Het klonk als een politieke doodverklaring. Maar toen de motie van wantrouwen kwam, durfde D66 niet door te pakken. Kaag knipperde. Rutte bleef.

Wat volgde was de langste formatie in de Nederlandse geschiedenis. Meer dan een jaar demissionair bestuur, waarin Rutte vrolijk bleef regeren alsof er niets aan de hand was. Grote besluiten werden genomen, crises bleven liggen. D66 had spijt, maar zat klem. Had Kaag die motie gesteund, dan was Rutte weg geweest. Nu wist Rutte dat hij haar in de tang had. D66 móést wel. En dus kwam er, tegen heug en meug, alsnog een kabinet met VVD, CDA, D66 en ChristenUnie.

Inhoudelijk haalde D66 veel binnen, maar politiek betaalde de partij een hoge prijs. De VVD-achterban radicaliseerde verder, vooral op immigratie. Onder druk van de opkomende BBB en de permanente dreiging van PVV en FvD schoof de VVD steeds verder naar rechts. Hardere asielregels, nareis beperken, quota invoeren. Niet omdat het werkte, maar omdat het scoorde. En toen D66 en ChristenUnie daar niet in mee wilden, trok Rutte de stekker eruit.

Niet vanwege stikstof. Niet vanwege Groningen. Niet vanwege klimaat of de toeslagenaffaire. Maar vanwege asiel. Een probleem dat de VVD zelf jarenlang had laten ontsporen. Rutte maakte van een intern VVD-dossier een nationale crisis. Het landsbelang werd opgeofferd aan het partijbelang. De zelfbenoemde crisismanager koos opnieuw voor zijn eigen achterban.

De verkiezingswinst van BBB bij de Provinciale Staten gaf Rutte het perfecte excuus. Angst voor extreemrechts werd het nieuwe campagnemiddel. Maar ondertussen blijkt BBB zelf een luchtbel. Een partij zonder structuur, zonder kader, zonder ideologie. Overlopers van CDA, VVD, FvD en PVV die hun baan wilden redden. Racistische uitglijders, interne ruzies, aftredende Statenleden. De Rabobankpartij loopt nu al leeg voordat ze ooit echt begonnen is.

En toch: wie denkt dat Rutte nu verdwijnt, vergist zich. Rutte V ligt al op de loer. Met hetzelfde dolende CDA. Met dezelfde strategie van liegen, ontkennen, vergeten. Met dezelfde bestuursstijl waarin problemen worden doorgeschoven en critici worden geneutraliseerd. Dertien jaar Rutte heeft Nederland opgezadeld met structurele crises en een uitgeholde bestuurscultuur. En het meest cynische is: hij komt er gewoon weer mee weg.

Mark Rutte heeft niet alleen Pieter Omtzigt uitgeschakeld. Hij heeft een politieke cultuur gecreëerd waarin macht belangrijker is dan waarheid, en overleven belangrijker dan oplossen. Dat is zijn echte nalatenschap. En daar betaalt Nederland nog jaren de prijs voor.



maandag 29 mei 2023

Facebook verwijderen geeft rust. En je spaart er levens mee.

Wie anno 2024 nog gelooft dat gratis apps werkelijk “gratis” zijn, gelooft waarschijnlijk ook dat de Belastingdienst je beste vriend is en dat telecombedrijven oprecht geven om je privacy. Het businessmodel van Big Tech is al jaren glashelder: jij betaalt niet met geld, maar met data. Elke klik, elke like, elke zoekopdracht en elk gesprek wordt omgezet in een profiel dat wordt doorverkocht aan adverteerders. Niet omdat dat zo leuk is, maar omdat dat het enige verdienmodel is dat deze bedrijven kennen. Surveillancekapitalisme heet dat. En Facebook – inmiddels netjes herdoopt tot Meta – is daar de onbetwiste kampioen van.

Dat Facebook meeluistert via de microfoon van je smartphone is inmiddels geen complottheorie meer, maar een open geheim. Iedereen kent het: je voert een gesprek over een vakantie naar Portugal, een nieuwe bank of een elektrische fiets, en een paar minuten later krijg je precies daar advertenties over voorgeschoteld. Toeval bestaat niet in Silicon Valley. Het gaat hier niet om algoritmes die “slim gokken”, maar om structurele dataverzameling die zo ver gaat dat zelfs je privégesprekken onderdeel zijn geworden van het advertentie-ecosysteem.

En dat is ironisch, want juist dezelfde mensen die dagelijks hun halve leven aan Facebook cadeau doen, zijn vaak het hardst aan het schreeuwen over het World Economic Forum, Chinese spionageauto’s en de “controlestaat”. Ze zijn bang voor camera’s in lantaarnpalen, maar dragen vrijwillig een afluisterapparaat in hun broekzak. Ze wantrouwen de overheid, maar vertrouwen zonder enige moeite een Amerikaans techbedrijf dat letterlijk leeft van het verhandelen van hun gedrag, emoties en sociale netwerk.

Facebook weet niet alleen wat je koopt, maar met wie je praat, waar je bent, wat je leuk vindt, waar je bang voor bent en op welke momenten je het meest vatbaar bent voor beïnvloeding. Het is geen sociaal netwerk, het is een psychologisch profielensysteem met een chatfunctie. En hoe meer apps je gebruikt, hoe completer dat profiel wordt. Vandaar dat alles “gratis” is: hoe meer data, hoe meer geld.

Maar de echte perversiteit zit niet eens in het meeluisteren. Die zit in de constante stroom meldingen, waarschuwingen en piepjes. Tien keer per uur een notificatie. Iemand heeft iets geliket. Iemand heeft iets gepost. Iemand die je niet kent heeft iets gezegd in een groep waar je mogelijk misschien ooit interesse in zou kunnen hebben. Het is digitale terreur. Ontworpen om je aandacht te kapen, je dopamine te manipuleren en je zo lang mogelijk in het systeem te houden.

En dat is niet onschuldig. Die meldingen zijn letterlijk levensgevaarlijk. In de auto. Op de fiets. Op straat. Elke piep is een micro-afleiding, elke micro-afleiding vergroot de kans op een ongeluk. Maar Facebook maakt dat niets uit. Want aandacht is geld. En geld gaat bij Meta altijd boven veiligheid, boven mentale gezondheid, boven maatschappelijke schade en uiteindelijk zelfs boven mensenlevens.

De oplossing is kinderlijk simpel, maar mentaal moeilijk: verwijder de app. Niet je account per se, maar de app. Haal de directe lijn tussen Facebook en je zenuwstelsel eruit. Bepaal zelf wanneer je het platform bezoekt, in plaats van dat het platform jou bezoekt. Geen meldingen meer. Geen constante prikkels. Geen digitale herrie.

Wat overblijft is rust. Serene, bijna ouderwetse rust. Je opent Facebook wanneer jij dat wilt en niet wanneer een algoritme besluit dat jouw aandacht gemonetariseerd moet worden. En ineens zie je het: hoeveel ruis er was. Hoe weinig echte inhoud er tussen zat. Hoe je werd overspoeld met advertenties, racistische drek, fascistische meningen, groepsspam en emotionele manipulatie.

Facebook verwijderen is geen ludieke detox. Het is een politieke daad. Een kleine, maar concrete weigering om nog langer onderdeel te zijn van een systeem dat winst maakt op jouw gedrag, jouw verslaving en jouw afleiding. Het is een manier om je autonomie terug te pakken in een economie die draait op controle.

En ja, het spaart daadwerkelijk levens. Want minder meldingen betekent minder afleiding. Minder afleiding betekent minder ongelukken. Minder ongelukken betekent simpelweg: minder doden.

Dat is misschien wel de meest radicale gedachte van allemaal. Dat digitale rust niet alleen goed is voor je hoofd, maar ook voor de wereld buiten het scherm.



zaterdag 18 maart 2023

Het wordt een interessant gevecht op rechts de komende jaren

Terwijl de VVD maandenlang met een opgeheven vingertje naar “de linkse wolk” wees als het grote gevaar voor Nederland, voltrok zich onder haar neus iets veel fundamentelers: de opkomst van een nieuwe, uiterst effectieve concurrent op rechts. Geen ideologisch project, geen visie op de toekomst van het land, maar een perfect geoliede lobbyclub die zich vermomt als volkspartij: de BoerBurgerBeweging. Caroline van der Plas presenteert zich graag als de nuchtere stem van “de gewone boer”, maar in werkelijkheid is BBB de politieke arm van de agro-industrie, met diepe zakken van ForFarmers, Bayer/Monsanto, De Heus, AgriFirm en natuurlijk de Rabobank. Niet toevallig precies de partijen die het meeste te verliezen hebben bij serieus klimaat-, stikstof- en natuurbeleid.

De monsterzege van BBB bij de Provinciale Statenverkiezingen van 15 maart 2023 was geen spontane volksopstand, maar het resultaat van een perfect geregisseerde mediacampagne. Het Nederlandse journaille heeft Van der Plas maandenlang neergezet als de gezellige, redelijke underdog die “het Haagse spel” doorbreekt, terwijl haar partij in werkelijkheid een keiharde belangenclub is die één doel dient: het bestaande agro-model in stand houden, koste wat kost. Dat die overwinning samenviel met de implosie van het CDA en de verdere marginalisering van Thierry Baudet is geen toeval, maar het logische gevolg van de wildgroei aan rechtse en extreemrechtse splinterpartijen.

Op rechts is inmiddels een soort politieke jungle ontstaan waarin iedereen vecht om dezelfde boze kiezer: PVV, FvD, JA21, BVNL, SGP, CDA, VVD en nu dus BBB. Jarenlang dachten ze dat links hun grootste vijand was, maar inmiddels blijkt het gevaar uit eigen gelederen te komen. BBB eet het hele rechtse spectrum leeg, met een boodschap die eenvoudiger, platter en effectiever is dan die van haar concurrenten: “Den Haag is slecht, boeren zijn goed, stikstof is onzin, en alles is de schuld van links.” Het is populisme in zijn meest efficiënte vorm, aangevuld met een professionele lobby-infrastructuur waar Wilders en Baudet alleen maar van kunnen dromen.

Voor de VVD is dit ronduit rampzalig. Drie verkiezingsnederlagen op rij, een premier die vooral uitblinkt in afwezigheid zodra het moeilijk wordt, en een achterban die steeds verder opschuift richting agrarisch populisme. De liberalen hebben hun piek gehad. Niet omdat links zo briljant opereert, maar omdat de VVD zelf dertien jaar lang een samenleving heeft achtergelaten die steeds verder uit elkaar is gegroeid. Een land met woningnood, falende publieke diensten, groeiende ongelijkheid en een structureel wantrouwen richting politiek. In dat vacuüm kon BBB moeiteloos groeien.

De ironie is dat de VVD nu precies krijgt wat ze jarenlang heeft gevoed: een oncontroleerbare rechtse tegenbeweging die niet meer te managen is met campagnepraatjes over “hardwerkende Nederlanders”. Met zeventien zetels in de Eerste Kamer en potentieel meer dan dertig in de Tweede Kamer zou BBB de VVD zomaar kunnen overvleugelen als grootste partij van het land. En niet alleen dat: BBB dreigt het hele rechtse landschap te kannibaliseren, waarbij PVV, FvD, JA21, BVNL en zelfs het CDA worden gereduceerd tot politieke restanten.

Wat hier ontstaat is geen gezonde democratische concurrentie, maar een interne burgeroorlog op rechts. Een strijd tussen verschillende varianten van hetzelfde populistische verhaal, allemaal gericht op dezelfde boze, ontevreden kiezer. Het resultaat: ideologische leegte, steeds hardere retoriek en een politiek debat dat volledig losgezongen raakt van echte oplossingen voor echte problemen.

En juist daarin ligt de paradoxale kans voor links. Terwijl rechts elkaar opvreet in een gevecht om dezelfde rancune, kan PvdA/GroenLinks rustig toekijken. Niet omdat links automatisch gaat winnen, maar omdat rechts zichzelf structureel ondermijnt. De grootste dreiging voor de VVD is niet langer “de linkse wolk”, maar de eigen Frankenstein die ze dertien jaar lang zelf hebben opgebouwd.

Het gevaar komt niet van links. Het komt uit eigen stal. En dit keer is het geen boze twitteraar of randpartij, maar een perfect gefinancierde lobbybeweging met een glimlach en een hooivork.



zaterdag 11 maart 2023

Een Rwanda deal gaat er komen

De affaire rond Gary Lineker laat pijnlijk zien hoe broos de grens is geworden tussen journalistiek, publieke moraal en politieke macht. Een televisiecommentator die zich uitspreekt tegen een overheidsmaatregel wordt door de nationale omroep op non-actief gesteld, waarna collega’s uit solidariteit hun werk neerleggen en een programma dat sinds 1964 onafgebroken wordt uitgezonden simpelweg verdwijnt. Dat is geen detail, dat is een alarmsignaal. Niet alleen over de staat van de BBC, maar over de staat van de democratische cultuur in het Verenigd Koninkrijk – en bij uitbreiding in heel Europa.

De aanleiding is de zogeheten Rwanda-deal: mensen die illegaal het VK binnenkomen worden gedeporteerd naar Rwanda, waar ze hun asielprocedure mogen afwachten. Lineker noemde het plan wat het is: een moreel failliet systeem dat mensen reduceert tot logistiek probleem. Zijn vergelijking met historische deportaties werd hem niet in dank afgenomen, maar inhoudelijk raakte hij een kern die veel politici liever ontwijken. Het gaat hier niet om beleid, maar om ontmenselijking. Om het uitbesteden van verantwoordelijkheid aan een arm land, in ruil voor geld, zodat rijke landen hun morele geweten kunnen afkopen.

Dat de BBC Lineker tot zwijgen probeert te brengen is extra wrang, omdat de publieke omroep juist geacht wordt onafhankelijk te zijn van politieke druk. In plaats daarvan gedraagt de BBC zich als verlengstuk van de regering-Sunak. Niet door censuur met knuppels, maar met contracten, neutraliteitsregels en vage normen over “impartialiteit”. Dat is de moderne vorm van repressie: geen verbod, maar beroepsmatige verstikking.

De Rwanda-deal is bovendien geen Brits incident. Nederland flirt er openlijk mee, via JA21 en inmiddels ook delen van de VVD. In Denemarken wordt hetzelfde pad bewandeld door nota bene sociaaldemocraten. Italië kijkt geïnteresseerd toe. Wat ooit begon als “opvang in de regio” is geëvolueerd tot letterlijk het exporteren van ongewenste mensen. Niet oplossen, maar wegschuiven. Niet integreren, maar uitbesteden. Asiel als outsourcingproject.

Het gevaar zit niet alleen in de juridische en humanitaire implicaties, maar in de politieke dynamiek die zo’n deal losmaakt. Extreemrechts bepaalt al jaren het debat: telkens wordt hun standpunt eerst belachelijk gemaakt, daarna “bespreekbaar”, en uiteindelijk beleid. Vandaag is het Rwanda. Morgen is het “alleen nog echte vluchtelingen”. Overmorgen “alle mensen van kleur”. En daarna, zoals de geschiedenis leert, iedereen die niet in het gewenste plaatje past. Fascisme komt zelden met laarzen; het komt met beleidsnota’s.

Daar komt nog iets bij: chantabiliteit. Wie zijn migratiebeleid uitbesteedt aan Rwanda, maakt zichzelf afhankelijk. Wie betaalt, bepaalt niet – die smeekt. Want zodra Rwanda merkt dat Europese regeringen politiek gegijzeld zijn door migratieangst, ligt de onderhandelingstactiek voor de hand: meer geld, of anders openen we de sluizen. Het is geen partnerschap, het is geopolitieke zelfondermijning.

Dat Sunak dit beleid nodig heeft, is politiek verklaarbaar. De Conservatieven staan er rampzalig voor in de peilingen en grijpen naar symbolisch hard beleid om hun achterban te sussen. Precies zoals de VVD in Nederland onder druk staat van BBB, PVV en FvD. Maar politiek begrijpelijk is nog niet moreel verdedigbaar. Integendeel: het is het klassieke patroon van verliezende macht die zich radicaal maakt om relevant te blijven.

Lineker heeft in feite gedaan wat journalisten en publieke figuren zouden móéten doen: een morele grens trekken. Dat hij daarvoor wordt gestraft, zegt minder over hem dan over het systeem waarin hij opereert. Een systeem waarin mensenrechten onderhandelbaar zijn geworden, en waarin het deporteren van kwetsbaren wordt gepresenteerd als “realistisch beleid”.

Wie denkt dat dit ophoudt bij Rwanda vergist zich. Dit is geen eindpunt, dit is een glijbaan. En wie erop stapt, verliest niet alleen zijn morele kompas, maar uiteindelijk ook zijn democratische geloofwaardigheid. Want wie mensen wegstuurt om politieke problemen op te lossen, heeft niet te maken met migratie – maar met eigen falen.



zondag 19 februari 2023

Een Rwanda deal zal Nederland chantabel maken

De campagne van JA21 loopt, zacht uitgedrukt, niet zoals gehoopt. Waar Caroline van der Plas met haar ene zetel permanent aanschuift bij talkshows en zichzelf succesvol heeft gepositioneerd als de stem van “de gewone boer”, lijken Annabel Nanninga en Joost Eerdmans vooral onzichtbaar. Zelfs in de gebruikelijke extreemrechtse biotoop – Vandaag Inside – zijn ze niet welkom. Dat Nanninga volgens berichten zelf naar Hilversum is gereden om Johan Derksen te overtuigen, en daar nul op het rekest kreeg, zegt alles: zelfs de vaste hofleverancier van populistisch entertainment ziet blijkbaar weinig commerciële of ideologische waarde in deze zoveelste PVV-afsplitsing.

JA21 had dus dringend een stunt nodig. Die kwam er met de zogenoemde Rwanda-motie. Een motie die de regering oproept samen met Denemarken te onderzoeken of asielzoekers hun procedure in Rwanda kunnen “afwachten”. Een formulering die klinkt als beleid, maar in werkelijkheid neerkomt op het dumpen van ongewenste mensen in een ver land, buiten zicht van het Nederlandse electoraat. Het is dezelfde truc die de Britse Conservatieven eerder probeerden en die Denemarken inmiddels alweer heeft laten vallen.

Dat het slechts om een motie gaat, maakt het niet minder veelzeggend. Moties zijn politieke signaalborden. Ze laten zien welke richting een partij op wil, welk wereldbeeld zij normaal wil maken. En het signaal van JA21 is helder: mensenrechten zijn onderhandelbaar, zolang het electoraal iets oplevert. Dat VVD en CDA uit angst voor extreemrechts vóór stemden, maakt het alleen maar zorgwekkender. Niet omdat zij plots ideologisch zijn omgeslagen, maar omdat zij laten zien dat morele grenzen verdwijnen zodra de peilingen dalen.

De Rwanda-deal wordt verkocht als “streng maar rechtvaardig”. In werkelijkheid is het een moreel en praktisch failliet plan. Het idee dat asielprocedures in Rwanda humaan, eerlijk en efficiënt zouden verlopen is pure fictie. In de praktijk betekent het tentenkampen, uitzichtloosheid, gebrek aan juridische bijstand en een overheid die vluchtelingen als handelswaar beschouwt. Niet als mensen, maar als verdienmodel. Want Rwanda kijkt inderdaad likkebaardend toe: westerse landen hebben een nieuwe markt ontdekt, met een prijskaartje van grofweg 150 miljoen euro per jaar per land.

Daarmee creëren we bovendien precies het probleem dat we zeggen te willen voorkomen: afhankelijkheid. Wie zijn migratiebeleid uitbesteedt, maakt zichzelf chantabel. Zodra Rwanda doorheeft dat Europa politiek gegijzeld is door migratieangst, kan het de prijs opvoeren. Meer geld, meer concessies, minder kritiek op mensenrechten. Precies zoals Erdogan dat al jaren doet met de Turkije-deal. De Europese Unie durft Turkije nauwelijks nog aan te spreken op corruptie, repressie of buitenlandse politiek, uit angst dat “de poorten” opengaan.

Het ironische is dat de Rwanda-deal tot nu toe vooral symbolisch blijkt. Er is nog geen enkele vluchteling vanuit het VK of Denemarken daadwerkelijk in Rwanda beland. De Hope Hotels staan leeg, juridische bezwaren stapelen zich op, en Denemarken heeft de stekker er inmiddels uit getrokken. Het plan werkt niet, maar blijft politiek aantrekkelijk omdat het de illusie wekt van controle.

En precies daar zit de kern. De Rwanda-motie is geen oplossing voor migratie, maar een marketingcampagne voor angst. Het is beleid als spektakel, bedoeld om te laten zien dat men “hard” durft te zijn. Dat JA21 hiermee denkt relevant te worden, zegt vooral iets over de leegte van hun politieke project. Zonder inhoud, zonder visie, zonder zichtbaarheid rest alleen het kopiëren van het hardste geluid op rechts.

Wat overblijft is een partij die moreel radicaliseert om media-aandacht te krijgen, in de hoop dat kiezers vergeten dat er nog geen enkel concreet probleem is opgelost. Niet de woningnood, niet de integratie, niet de asielprocedures zelf. Alleen het mensbeeld is verder verhard. En dat is misschien nog wel de meest duurzame schade die dit soort moties aanricht. Want wie eenmaal accepteert dat je mensen kunt “uitbesteden”, accepteert uiteindelijk alles.

zondag 8 januari 2023

Waarom deze Provinciale Statenverkiezingen een succes voor links gaan worden

In de laatste week van 2022 gaf woningminister Hugo de Jonge een reeks interviews waarin hij stelde dat het woningtekort in Nederland vooral wordt veroorzaakt door migratie. Minder migranten, zo suggereerde hij, betekent meer huizen voor “ons”. Het is een framing die inmiddels vertrouwd klinkt, maar die vooral opvalt door wat erin ontbreekt. Geen woord over het structureel mislukte woonbeleid van opeenvolgende kabinetten, waarin sociale huur massaal werd gesloopt, nieuwbouw werd overgelaten aan de markt en complete woonwijken in handen kwamen van beleggers, pensioenfondsen en buitenlandse investeerders. Het woningtekort is niet ontstaan door migratie, maar door politieke keuzes. En precies die keuzes wil De Jonge nu verhullen.

De timing is alleszeggend. De Provinciale Statenverkiezingen komen eraan en het CDA staat op instorten. Ooit was het de vanzelfsprekende bestuurspartij van Nederland, met diepe wortels in elke provincie, elke gemeente en elke bestuurslaag. Vandaag de dag wordt het CDA rechts ingehaald door PVV, FvD, BBB en zelfs JA21. In de peilingen bungelt de partij al maanden onderaan en in grote delen van het land dreigt electorale verdamping. Het CDA spartelt inderdaad als een vis op het droge, en in paniek grijpt het naar het oudste recept uit het populistische kookboek: wijs een zondebok aan.

Migratie is daarbij ideaal. Het is abstract, emotioneel geladen en moeilijk te weerleggen in soundbites. Dat De Jonge hiermee openlijk een groep mensen verantwoordelijk maakt voor een probleem dat zijn eigen partij mede heeft veroorzaakt, is niet alleen politiek cynisch, maar ook moreel leeg. Het woningtekort is geen natuurverschijnsel. Het is het gevolg van dertig jaar beleid waarin volkshuisvesting werd omgebogen tot vastgoedmarkt, huren explodeerden, corporaties werden uitgeknepen en de overheid zichzelf systematisch buitenspel zette.

Het wrange is dat deze rechtse vlucht naar voren het CDA waarschijnlijk niet gaat redden. De extreemrechtse vijver is inmiddels zo vol dat nog een xenofobe uitspraak nauwelijks extra stemmen oplevert. Wie op migranten wil schelden, heeft tegenwoordig keuze genoeg: van Wilders tot Baudet, van Van Haga tot Caroline van der Plas. Het CDA is daarin geen origineel alternatief, maar slechts een late imitator. En zoals altijd winnen imitators zelden van het origineel.

Intussen dreigt op rechts een politieke chaos. Niet alleen omdat er zoveel partijen zijn, maar omdat ze elkaar onderling nauwelijks verdragen. FvD is politiek radioactief, de PVV wil niet regeren, BBB is een lobbyclub met interne spanningen en JA21 zoekt wanhopig naar bestaansrecht. Nieuwe partijen worden geboren uit onvrede, maar sterven vaak aan ego’s, ruzies en machtsstrijd. Zie PVV. Zie FvD. Zie 50Plus. Het patroon is inmiddels voorspelbaar.

Tegenover dat gefragmenteerde rechts staat voor het eerst in jaren een relatief helder links blok. PvdA en GroenLinks hebben besloten samen op te trekken richting de Eerste Kamer. Geen ideologisch fusiefeest, maar een strategisch besef: verdeeldheid is electorale zelfmoord. In eerdere verkiezingen bleek al dat media-aandacht voor extreemrechts niet automatisch leidt tot rechtse winst. Integendeel. Zowel bij de Europese verkiezingen als bij de gemeenteraadsverkiezingen ging de spotlight naar Baudet en consorten, maar eindigde de winst bij PvdA en GroenLinks.

De paradox is dat hoe harder rechts schreeuwt, hoe zichtbaarder de leegte wordt. Racistische frames, angstcampagnes en zondebokkenpolitiek lossen geen enkel structureel probleem op. Niet de woningnood, niet de zorg, niet het onderwijs, niet de energiecrisis. Ze maskeren alleen het falen van beleid.

De uitspraak van De Jonge is daarom geen incident, maar een symptoom. Van een partij in verval, van een politiek blok zonder antwoorden en van een bestuurscultuur die liever naar beneden trapt dan naar zichzelf kijkt. Als deze verkiezingen ergens over gaan, dan is het niet over migratie, maar over verantwoordelijkheid. En precies daar ligt de zwakke plek van rechts. Want wie jarenlang beleid voert en vervolgens de gevolgen bij anderen neerlegt, verliest uiteindelijk niet alleen geloofwaardigheid, maar ook macht.



dinsdag 3 januari 2023

Waarom we ons zorgen moeten maken over extreemrechts

In de nacht van oudjaar 2022 op nieuwjaar 2023 verschenen op de Erasmusbrug in Rotterdam projecties met teksten als “Vrolijk blank 2023”, “White lives matter”, “Zwarte Piet deed niets verkeerd” en – het meest expliciet – “We must secure the existence of our people and a future for white children”. Die laatste zin is letterlijk de zogenoemde 14 words, een kernleus uit het internationale neonazistische gedachtegoed. Dit is geen vage hondenfluit, geen ironie, geen misverstand: dit is openlijk neonazisme, geprojecteerd op een van de meest zichtbare plekken van Nederland.

Wat volgde was even voorspelbaar als onthutsend. RTL Nieuws kwam direct met een artikel waarin een ‘expert’ zich afvroeg of deze leuzen wel echt racistisch waren. Alsof de betekenis van een wereldberoemde nazislogan ineens onderwerp is van interpretatie. Alsof “white lives matter” niet overduidelijk een racistische tegenhanger is van een antiracistische beweging. Alsof “Vrolijk blank 2023” iets anders is dan een expliciete etnische afbakening van wie er blijkbaar wel en niet bij hoort.

Daar zit precies het probleem. In Nederland is racisme niet langer iets wat wordt bestreden, maar iets wat wordt “geduid”, “gen nuanceerd” en “in context geplaatst”. Het wordt behandeld als een mening, niet als een ideologie. Als een debatpunt, niet als een bedreiging. Nog voordat politie, OM of politiek een helder standpunt innemen, staan de praattafels al vol met deskundigen die uitleggen dat het “complex” ligt, dat “je ook moet luisteren” en dat “niet alles meteen extreemrechts is”.

Zelfs het Openbaar Ministerie had een volle dag nodig om te bepalen of deze leuzen juridisch racistisch waren. Een dag. Voor teksten die letterlijk uit het neonazistische handboek komen. En ondertussen bleef het politiek oorverdovend stil. Geen stevige veroordeling, geen duidelijke rode lijn, geen gevoel van urgentie.

Dat is geen toeval. Racisme, neonazisme en fascisme krijgen in Nederland structureel ruimte, omdat niemand echt bereid is ze frontaal te bestrijden. Integendeel: ze krijgen een podium. In talkshows, in kranten, op sociale media én bij de publieke omroep. Ongehoord Nederland, volledig gefinancierd met belastinggeld, zendt dagelijks complottheorieën, racistische frames en openlijk autoritaire ideeën uit. De sancties die ze krijgen zijn symbolisch en worden lachend betaald. Het intrekken van de uitzendvergunning is politiek onbespreekbaar geworden, want dat zou “censuur” zijn.

Maar het laten voortbestaan van een structureel racistisch propagandakanaal is geen neutraliteit. Het is medeplichtigheid.

De ironie is bitter: deze leuzen werden geprojecteerd op een brug in een stad die 83 jaar geleden door echte nazi’s werd gebombardeerd. Rotterdam is letterlijk opgebouwd uit het puin van fascistisch geweld. En nu projecteren moderne neonazi’s hun slogans op datzelfde stadsdecor, terwijl media en politiek zich afvragen of het “misschien ook anders bedoeld kan zijn”.

Ondertussen zijn extreemrechtse bewegingen in Nederland genormaliseerd. Politici die openlijk racistische, antisemitische en autoritaire ideeën verspreiden – Baudet, Wilders, Van Haga, Van der Plas, Eerdmans – worden behandeld als gewone gesprekspartners. Een inhoudelijk debat met hen is vrijwel onmogelijk, want elk gesprek verzandt in verdraaiingen, complotten en vijanddenken. Toch worden ze keer op keer uitgenodigd, uit angst voor boze achterbannen en kijkcijfers.

Politie en justitie treden nauwelijks op. De wet bestaat nog, maar de handhaving is praktisch verdwenen. Waar racistische en fascistische uitingen vroeger daadwerkelijk consequenties hadden, is het nu vooral een verdienmodel geworden. Racisme als business, haat als marketingstrategie, verontwaardiging als brandstof voor bereik en donaties.

En zo schuiven we langzaam richting een samenleving waarin neonazistische slogans op iconische bruggen verschijnen, terwijl de reactie bestaat uit twijfel, nuance en mediadebatten. Tot het moment dat woorden weer daden worden. Tot de eerste georganiseerde aanval op een parlement, een redactie of een minderheid. Zoals in de VS op 6 januari 2021.

En ook dan zullen hier weer experts aanschuiven om uit te leggen dat het “nuance behoeft”. Terwijl het probleem allang niet meer nuance is, maar lafheid. Lafheid om te zeggen wat overduidelijk is: dit is racisme. Dit is fascisme. En dit hoort geen podium te krijgen, maar weerstand.